Pagina afdrukken

Over Bali

In de bijlagen vindt u:

  1. Kaartjes van Bali en het district Buleleng
  2. Achtergrondinformatie over “Bali, het eiland der Goden”
  3. Speech van Charles Jacobs bij de opening van de school in Buhutyang
  4. Interview met Charles door Jose”

1. Kaartjes van Bali en het district Buleleng

       
Grotere kaart weergeven                                                                                        Grotere kaart weergeven
Een kaartje van Bali                                                                                          Een kaartje van Buleleng

2. Achtergrondinformatie over “Bali, het eiland der Goden”

Dit kleine eiland van bijna drie miljoen hindoes, omringd door een zee van meer dan 200 miljoen moslims, ligt net twee kilometer van de meest oostelijke punt van Java. Toen het eerste Hollandse oorlogsschip op 22 februari 1597 bij Bali aankwam, troffen de opvarenden daar een hemel op aarde. In de jaren dertig werden verscheidene populaire documentaires gemaakt over dit paradijselijke eiland; de hele wereld kende het en Bali gaat sinds die tijd steeds verder achteruit.

Het is nu een toeristenkolonie, het Capri van de westelijke Stille Oceaan. De inkomsten uit het toerisme zijn sinds 1970 elk jaar spectaculair gestegen en de industrie streeft nu naar aan miljoen toeristen per jaar – één bezoeker op iedere drie Balinezen. De ongelooflijk complexe en bestendige sociale en religieuze structuur op Bali, eens het paradijs van de antropoloog, valt uiteen door de toestroom van buitenlanders.
Het grootschalige toerisme wordt de Balinezen opgedrongen door internationale consortiums die hotels bouwen en enorme vakantieoorden – recentelijk in Tanah Lot – zonder toestemming van of samenspraak met de bewoners. Het geld dat verdiend wordt in deze luxe hotels gaat voor het merendeel naar Java of het land uit. Het toerisme heeft corruptie, misdaad en ziekte met zich meegebracht. Vroeger kon je je tas overal op het eiland drie dagen laten staan zonder dat iemand eraan kwam, behalve de wind. Nu niet meer.

Gelukkig is het eiland gered door de wet die gebouwen hoger dan een palmboom verbiedt, anders zouden de projectontwikkelaars er de dienst uitmaken. Hoewel het eiland maar 135 km lang is en nergens meer dan 90 km breed, kun je er nog steeds op verdwalen. Er zijn honderden dorpjes die in 50 jaar niets zijn veranderd. Je hebt geen routebeschrijving nodig; ga gewoon naar de heuvels. De beste dingen zijn nog steeds gratis, oranje en gouden tropische zonsondergangen, een verbijsterend rijke cultuur, de lach van een kind, het geluid van de palmen, de fijne zandstranden en de koralen. Je kunt nog steeds gratis naar de tempeldansen en bezienswaardigheden.

Het land
Bali is één groot beeldhouwwerk. Elke aarden tree is gemanicuurd en gepolijst, elk veld met de hand uitgehouwen. Bali was eens een geografische voortzetting van Java en lijkt daar nog steeds op, met bergen en al. Het heeft nog steeds hetzelfde klimaat en dezelfde flora en fauna als het moederland. Er zijn weinig vlakke stukken grond, overal zijn heuvels en bergen. Het oppervlak van het eiland wordt gekenmerkt door diepe ravijnen, snelstromende rivieren en in het noorden een vulkanische bergketen van 1500 – 3000 meter hoog, een voortzetting van de centrale keten van Java. Op de vlakten van zuidelijk Bali zijn de rijstvelden prachtig uitgehouwen in de heuvels en valleien, sprankelend van het water of felgroen. Alle seizoenen zijn hetzelfde: in de velden staat pasgeplante, groeiende en rijpe rijst naast elkaar. Terrasbouw en irrigatie zijn op Bali nog geavanceerder dan op Java; er bestaat een opmerkelijk systeem van aquaducten, dammetjes, ondergrondse kanalen en tunnels door rotswanden. De ‘subak’, een dorpsorganisatie, beheert de waterdistributie via een reservoir of een pijpleiding. In het zuiden van Bali worden naast rijst ook thee, cacao, aardnoten en tropisch fruit verbouwd. Verder naar het noorden gaat het landschap van rijstterrassen over in tuinen met uien, kool en papaja’s. Met palmbladeren bedekte hutten maken plaats voor stevige huisjes van hout, tegels, steen en vulkanische rots. Op grotere hoogte vind je bergstroompjes, prehistorische varens, wilde bloemen, klimplanten, orchideeën , bloedzuigers, vlinders, vogels en krijsende apen. Het meest westelijke deel van Bali, Pulaki, is een onbedorven vrijwel onbewoonde wildernis (reservaat). De legende wil dat de eerste inwoners van Bali uit een verloren, onzichtbare stad in deze streek komen.

Klimaat
Bali ligt maar acht graden ten zuiden van de evenaar. Het is er altijd zomer met een warme zeewind en een hoge vochtigheid. Tropische buien maken snel plaats voor verblindende zon. De regen, meestal niet al te hevig of langdurend, valt meestal laat in de middag en ‘s nachts. Van november tot april gaat het ernstig regenen; de natste dagen zijn in december en januari. Het droge seizoen is van mei tot oktober. Van juni tot het eind van september is bijzonder aangenaam op Bali.

Geschiedenis
Bali is het levende museum van de oude Indo-javaanse beschaving die meer dan 400 jaar geleden bestond op Oost – Java. De Indiase cultuur speelde al in de 9e eeuw een rol op delen van het eiland en het Balinese schrift is afgeleid van het Pallava-schrift uit zuidelijk India. Op Bali zijn nog oude heilige teksten over de religieuze geschiedenis van India te vinden die in India zelf zijn verdwenen (in Singaraja). Toen Gajah Mada van het Javaanse koninkrijk Majapahit in het midden van de 14e eeuw Bali veroverde, breidde de oost Javaanse invloed zich uit van de zuivere religieuze en culturele sfeer naar de kunst, dansen, beeldhouwkunst en architectuur. Toen dit koninkrijk in de 16e eeuw bezweek onder de druk van de militaire en economische invasie van de islam, trokken de geleerden, dansers en heersers van Majapahit massaal naar Bali. De priesters namen hun heilige geschriften mee en ontwikkelden op Bali unieke Balinese hindoe gebruiken en -instellingen. Maar het hindoeïsme is slechts een dun laagje dat de nieuwe meesters over het diepgewortelde inlandse animisme legden, dat teruggrijpt op overtuigingen uit de bronstijd. Verrassend genoeg was het vruchtbare laagland van Bali een van de laatste gebieden die door de Hollanders werd ingenomen. In 1906 werd een vrachtschip dat voor de zuidkust was vergaan door de Balinezen geplunderd (een traditionele praktijk van eilandbewoners), welk incident door de Nederlanders werd gebruikt als excuus om het eiland te bezetten. Op een zonnige morgen in 1906 liepen de raja’s, prinsen en prinsessen met hun familie, in prachtige ceremeniële kleding en zwaaiend met kostbare kris, op het nu geheten Puputanplein in Denpasar opzettelijk de hollandse geweren tegemoet. Deze massale zelfmoord (puputan) en een andere, twee jaar later in Klungkung, hadden tot gevolg dat de machtigste en hoogste koninklijke families van Bali werden uitgeroeid.

Het volk
Balinezen zijn kleine, knappe mensen met ronde gezichten. Hun cultus, gebruiken en aanbidding van goden en natuur zijn animistisch, hun muziek is warmbloedig, hun kunst net zo extravagant als de natuur. Cultureel gezien neigen de Javanen meer naar verfijning en bescheidenheid en houden zij zich in het leven en de kunst meer in acht, terwijl de Balinezen de voorkeur geven aan koppiger, flitsender sensaties – lachen, angst, scherper gekruid en zoeter voedsel. Ze zijn weelderiger in hun kleuren en versieringen; ze houden van felle muziek en snelle, schokkerige dansen. Er bestaat nog steeds een onderscheid tussen de ‘majapahit’, afstammelingen van 16e-eeuwse migranten uit het gevallen oost Javaanse Majapahit-rijk (zij hebben in Les nog steeds een aparte tempel), en de Bali Aga, de oorspronkelijke bewoners van het eiland, die zich hebben teruggetrokken in de bergen, waar ze nog steeds wonen, onverschillig voor elke buitenlander. Bij de Balinese hindoes worden de drie klassieke hindoe-kasten aangeduid met bijnamen: de brahmanen met de titel ida bagus, kshatriya’s met de titel anak agung of cokorda, en de vaisja’s met de titel gusti. Bijna elk dorp heeft een puri, het weidse onderkomen van een kshatriya, en een geria, de woning van een brahmaan. De Bali Aga zijn sjudra’s of kasteloos, maar er zijn op Bali geen paria’s. Negentig procent van de bevolking van Bali hangt het balinese hindoeïsme aan. Verder wonen er moslims in de kuststeden, boeddhisten in de bergen en christenen verspreid over het hele eiland. In Denpasar wonen een paar duizend Arabieren en Indiërs. Zo’n 25.000 Chinezen leven in de grote handelscentra Denpasar, Singaraja en Amlapura, waar ze de meerderheid van de kleine bedrijfjes en restaurants drijven.

Vrouwen en gezinsleven
Vrouwen hebben vaak een eigen inkomen en zijn verantwoordelijk voor het huishouden en de varkens en werken mee op de sawah’s en akkers. Ze bemoeien zich ook met de momenten in het gezinsleven die belangrijk of magisch worden geacht; geboorten, het eerste knippen van de nagels en haren van een kind, het vijlen van tanden en doorboren van oorlellen, huwelijk en de dood. Vrouwen dragen lasten van wel 30 kilo en 1 – 1,5 meter hoog op hun hoofd, terwijl de mannen er achteraan lopen met alleen hun ‘parang’. Een Balinees meisje leert wel 40 kokosnoten, stapels fruit of grote waterkruiken op haar hoofd te torsen terwijl ze op een fiets over een hobbelige landweg rijdt. Vrouwen ontluizen elkaar en hun kinderen als een sociaal gebeuren en een bevestiging van de familieliefde. Balinese vrouwen dragen bh’s zoals westerse vrouwen bikinitopjes dragen. Ongetrouwde meisjes hebben vaak een losse lok over hun schouder met een gonjer (bloem) erin.

De Banjar
Elk Balinees dorp is een kleine republiek, onafhankelijk bestuurd door de ‘banjar’, een soort dorpsraad. Vooral deze dorpsorganisatie heeft ervoor gezorgd dat de Balinese levenswijze is blijven bestaan na het verdwijnen van de plaatselijke adat-prinsen en hoofdmannen. Elke familie betaalt een bijdrage en wanneer een man trouwt, moet hij lid worden, anders wordt hij moreel en spiritueel als dood beschouwd. Bij de regelmatige vergaderingen moet het hoofd van elk huishouden aanwezig zijn, afwezigen krijgen een boete. De banjar leidt zijn eigen gemeenschapsbank, waar dorpelingen geld kunnen lenen om gereedschap, vee of andere noodzakelijke dingen te kopen. De banjar bouwt en onderhoudt dorpstempels, wegen en greppels, heeft een ‘gamelan’, regelt de belasting, hanengevechten, scheidingen en de eendenhouderij en helpt met de organisatie en financiering van trouwerijen, familiefeesten, tempelfestivals, crematies en gemeenschapsfeesten. De banjar adviseert de dorpelingen bij geloofskwesties, huwelijken en op moreel gebied, waarbij alles zorgvuldig word geregeld door de gekozen leden. Elke banjar heeft een eigen vergaderruimte, waar de leden ‘s avonds bijeen komen om ‘tuak’ te drinken, te praten en te gokken. De leider van de banjar wordt gekozen door de leden en goedgekeurd door de goden via een medium. Geen enkel ander politiek systeem is er nog in geslaagd door het vaderlijke schild van de banjar heen te breken, hoewel de samenhang ervan steeds verder verzwakt door moderne levenswijzen en de toeristenindustrie. Veel leden sturen nu een geldelijke bijdrage in plaats van aanwezig te zijn.

Religie
Buiten India is Bali de grootste hindoeïstische buitenpost ter wereld. Anders gezegd, het is de verste uithoek van het hindoe-rijk. Het hindoeïsme heeft zich op Bali langs geheel eigen lijnen ontwikkeld. De wijze waarop de Balinezen hun hindoeïsme in de praktijk brengen, is zelfs hun voornaamste kunst. Het hindoeïsme is ten minste 3000 jaar oud en is ontstaan door de schepping van de veda’s, verzamelingen van gebeden, hymnes en andere religieuze geschirften. Het geloof heeft geen bepaalde grondlegger of profeet. Er is maar één god, hoewel de verschillende manifestaties daarvan zeer gedetailleerd zijn benoemd en geclassificeerd. De Balinezen noemen hun geloof Agama Tirta (Wetenschap van het Helige Water), een interpretatie van religieuze denkbeelden uit China, India en Java. De Agama Tirta is veel nauwer verbonden met de aarde en animistischer dan het eigenlijke hindoeïsme. Als een strikte brahmaan uit India ooit Bali zou bezoeken, zou hij de mensen daar geen hindoes vinden. Hoewel de hindoe-epiek heel bekend is en de basis vormt van de favoriete Balinese dansen, zijn de godheden uit India voor de Balinezen te gereserveerd en aristocratisch. Ze kennen vaak hun namen niet eens. De Balinezen hebben hun eigen drieëenheid van oppergoden, het Heiligdom van de Drie Machten. In India worden door het kastesysteem 200 miljoen mensen buiten de samenleving geplaatst. Op Bali geloven alleen de oudere mensen nog in het kastestelsel; de jongeren negeren het. In India moet een hindoe meteen worden gecremeerd om in de hemel te komen; vanwege de kosten worden op Bali soms de doden van een heel dorp tijdelijk begraven en wordt later een massale crematie georganiseerd. In India mogen weduwen niet hertrouwen, maar op Bali kunnen ze dat wel doen. In India is thuis bidden het belangrijkst, maar op Bali geeft men de voorkeur aan groepsgebeden in de tempel.

Het Balinese animisme
Balinezen zijn doodsbang voor demonen en kobolden en dergelijke, die zich vermommen als zwarte katten, naakte vrouwen en kraaien. Alles wat de Balinezen doen, wordt beheerst door geesten en ze offeren voortdurend fruit en bloemen om boze godheden te sussen. In onze maatschappij zou een Balinees alle klassieke symptomen vertonen van achtervolgingswaanzin en neurotische ziekten, maar op Bali worden deze dingen geritualiseerd en geïnstitutionaliseerd. Er zijn zonnegoden, totemgoden, hertegoden, secretarissen van de goden, mythische schildpadden en marktgoden. Boven de kookplaats worden kleifiguurtjes van de vuurgod geplaatst, bankbedienden leggen als offer een ‘pandanus-blad’ op hun bureau. Op de binnenplaats van elk huis worden ‘ngedjot’ geplaatst, deze offerandes bestaan uit kleine vierkantjes bananenblad met een paar korrels rijst, een bloem, zout en een snufje chilipeper. Niemand eet voordat de ngedjot op de kardinale plekken van de binnenplaats en voor elk huis zijn geplaatst. Hoewel de schurftige honden de offerandes opeten zodra ze de grond raken, is de essentie ervan al opgenomen door de geesten. Goden en godinnen beschermen of bedreigen iedere daad die iemand gedurende zijn of haar leven verricht. Ze verblijven in stenen tronen en beelden of zweven gewoon door de lucht.. Goden worden vaak uitgenodigd de aarde te bezoeken en worden dan overspoeld met gaven, muziek en dans, maar uiteindelijk moeten ze terug, omdat ze te duur in onderhoud zijn. De Balinezen proberen altijd alle krachten gunstig te stemmen. Als de geesten gelukkig worden gehouden, kunnen ze zich ontspannen en zelfs luchthartig worden. Kinderen brengen bloemen naar de heiligdommen en leren al vroeg dansen voor het genoegen van de goden en de raja.
In het eerste levensjaar van elk kind gelden speciale feestdagen: de drie dagen na de geboorte, 42 dagen na het eerste bad, 105 dagen na de geboorte en 210 dagen na de geboorte – de eerste verjaardag. In ieder stadium van de landbouwcyclus worden ceremonies gehouden, gaven aangeboden en heilige teksten gezonden. Zelfs het hanengevecht was oorspronkelijk een tempelritueel – Er werd bloed vergoten voor de goden. Tijdens het politieke bloedvergieten in 1965, waarbij tienduizenden Balinezen werden gedood, werden de slachtoffers in smetteloos witte ceremoniële gewaden weggevoerd voor hun executie. Men geloofde dat in communisten of hun sympathisanten duivels huisden en hun dood was noodzakelijk om het eiland te zuiveren van het kwaad. De hemel? De Balinezen geloven dat de hemel precies als Bali zal zijn.

Dualisme
Het Balinese geloof verdeelt de meeste concepten in twee tegengestelde dingen: hemel en aarde, zon en maan, dag en nacht, goden en demonen, man en vrouw, rein en onrein, sterk en zwak , heet en koud. Het samenspel tussen deze uitersten bestuurt de wereld, schept harmonie en stelt ieders lot vast. Zo speelt de Balinese heks Rangda, de belichaming van het kwaad, een nuttige rol bij het bewaken van de tempels. In de Balinese volksgeneeswijze wordt hoofdpijn behandeld door het hoofd te besproeien met een mengsel van geperste gember en geprakte bedwantsen – een verhitte of geïrriteerde toestand wordt genezen door een verkoelende medicijn.

Ruimtelijk oriëntatie
De Balinezen zijn een van de weinige eilandvolkeren die zich niet op de zee richten, maar op de bergen. Ze geloven dat wat hoog is, goede, machtige magie is en gezond. De oceaan daar beneden is sinister en zit vol giftige vis, zeeslangen en haaien. De hoogste berg op het eiland, Gunung Agung, staat bekend als de “Navel van de Wereld”. De heilige bergen zijn het ‘noorden’ en de zee het ‘zuiden'; dit zijn de kardinale punten en de dorpen, huizen en zelfs de bedden staan in deze richting opgesteld.

Feesten
Er is een schier oneindige reeks feesten, meer dan 60 religieuze feestdagen per jaar. De basis van het Balinese geloof is de overtuiging dat het land toebehoort aan de oppergod Sanghyang Widhi en het volk in heilig beheer is gegeven. Daarom lijken de Balinezen het grootste deel van hun tijd te besteden aan een eindeloze reeks lichamelijk en financieel uitputtende gaven, zuiveringen, tempelfeesten, processies, dansen en lijkverbrandingen. Er zijn feesten voor de houtbewerking, de geboorte van een godin en de ‘gamelan’ instrumenten; er zijn tempelfeesten, vasten- en retraiteceremonies, parades naar de zee en vieringen van rijkdom en wetenschap.

Lijkverbranding
Bij deze buitenissige gelegenheden zie je het grootste deel van de Balinese volkskunst en alle belangrijke religieuze symbolen. De crematie bevrijdt de ziel van de dode, zodat die naar de hemel kan gaan om weer op te gaan in de hindoe-cyclus van de reïncarnatie. Op Bali worden lijken tweemaal begraven: eenmaal na het overlijden en nogmaals na de opgraving en crematie. Deze begrafenissen zijn gelegenheden van aangeschoten hilariteit, roddeltjes, offerandes en dans, het geheel opgevrolijkt door onophoudelijke gamelanmuziek. Eerst wordt de overledene ‘wakker’ gemaakt, het graf wordt geopend en de overblijfselen worden op een versierde toren van hout en bamboe gelegd, een fantastische creatie van klatergoud, papier, bloemen, spiegels, zijde en witte stof. Vanwege de elektriciteitskabels over het hele eiland worden de echt hoge torens van het verleden nog maar zelden gebruikt. Het lijk wordt vervolgens in een luidruchtige optocht naar de crematieplaats gebracht. Het wordt onderweg een paar maal rondgedraaid op de schouders van de mannen om de ziel in verwarring te brengen en te voorkomen dat ze de weg naar het huis terugvindt, waar ze de levenden moeilijkheden zou kunnen bezorgen. Terwijl de toeristen zich in bochten wringen om foto’s te maken, worden de prachtige toren, de gaven en de kist in brand gestoken. Omdat lucifers als onrein worden beschouwd, worden soldeerbranders gebruikt om het geheel aan beide kanten aan te steken, zodat men zelfs crematies kan houden als het regent. Tot aan 1903 werden de weduwen eveneens verbrand in het grote vuur van de doden. (Door de Nederlanders verboden.) Nadat de vlammen zijn gedoofd, rakelt de oudste zoon de as op om ervoor te zorgen dat al het vlees wordt verbrand. Om de ziel te bevrijden wordt de as naar de zee gebracht. In het noorden, het armste deel van Bali, vinden geen crematies plaats. De doden worden bijgezet in gemetselde familiegraven op het kerkhof. Om de ziel te bevrijden vinden daarna nog jarenlang ceremonies plaats.

Tempels
Bali wordt gesierd door ten minste 20.000 tempels. Als je ‘pura’ voor een woord ziet staan, betekent dat tempel: ‘puri’ betekent paleis. Overal zijn tempels – in huizen, op binnenplaatsen, markten, begraafplaatsen, rijstvelden en stranden, op kale rotsen voor de kust, op verlaten heuvel- en bergtoppen, in grotten, binnen de verstrengelde wortels van waringings. Op de meeste kruisingen en op andere gevaarlijke plaatsen worden tempels gezet om ongelukken te voorkomen. Zelfs op een kruising van oerwoudpaden brandt wierook bij kleine gedenkplaatsen. Er zijn vier heel bijzondere tempels: Gunung Kawi, Ulun Dau Batur, Ulun Danu Bratan en Besakih. De laatste is de Moedertempel van Bali, de staatstempel. Hij staat op de helling van de Gunung Agung, de “Navel van de wereld”, de heiligste berg op Bali, waarop alle goden en godinnen wonen.

Kunst
Het goed georganiseerde landbouwsystemen en de verbazingwekkende vruchtbaarheid van het eiland, behalve in het noorden, hebben de Balinezen de gelegenheid gegeven zich aan hun kunst te wijden. Het is ongelooflijk dat zoveel mensen in zo’n klein gebied zoveel energie steken in het maken van mooie dingen. Hun aanbidding van het leven en de goden komt tot uiting in een grote variëteit aan kunstvormen en ze kunnen iets moois maken van de doodgewoonste dingen. De moderne Balinese kunst, die onder invloed stond van bezoekende Europese artiesten, dateert pas van omstreeks 1927, toen de kunstenaars voor het eerst hun werk gingen dateren en ondertekenen. Tot dan was alle kunst voor de goden. Als het schilderij of beeldhouwwerk te innovatief was, was het misschien niet geschikt voor de godendienst en werd het beschouwd als een mislukking. In de Balinese taal bestaat nog steeds geen woord voor ‘kunst’ of ‘kunstenaar’. Een beeldhouwer is een ‘hakker’, een schilder een ‘platenmaker’, een danser draagt de naam van de dans die hij uitvoert. De Balinezen hebben de artistieke kennis nooit beperkt tot een speciale, intellectuele klasse. Op Bali is iedereen een kunstenaar. De eenvoudigste boer en traagste arbeider kan iets maken of heeft een esthetisch bewustzijn als kritische beschouwer. Een veldarbeider zal een onhandige instrumentenmaker berispen voor slecht werk. Zelfs ‘dagang’, jonge meisjes in eetkraampjes, zijn vaardige beoefenaars van de klassieke Balinese dansen. Maar de uren van de Balinese kunst zijn geteld. De gemeenschap wordt steeds onwiliger bij het subsidiëren van de overdadige ceremonies, de muziek- en dansgroepen en nieuwe kostuums en maskers; men geeft de voorkeur aan de gemakken van het moderne leven. De Balinezen zijn heel gevoelig voor rages: mode, theaterthema’s, nieuwe schilderijen, dansrages. Het zijn vrijmoedige en uitmuntende namakers en sommige van de stenen tempelreliëfs komen rechtstreeks uit tijdschriften. Hun aardse beeldhouwwerk en schilderijen tonen zwangere vrouwen, spelende jongens, bierdrinkers, verleidingen en zelfs atoombommen die exploderen in de hemel.

Vergankelijke kunst
Het zuiverste en oudste voorbeeld van Balinese kunst zijn de mozaïekachtige ‘lamak’, die maar een dag houdbaar zijn. De vrouwen weven de ‘lamak’ van repen palmblad, bamboe en gele bladen van de suiker- of kokospalm, die aan elkaar vastgemaakt of gevouwen prachtige randen, rozetten en kleine boompatronen vormen. Er zijn honderden verschillende dessins. Als ze een dag op een altaar of rijstopslag hebben gehangen, verwelken ze ‘s nachts. Andere vergankelijke kunstvormen zijn de uit vijf lagen bestaande stapels organische tempelgaven, buitenissige decoraties op crematietorens, hoorns met fruit en cake en lange rechthoekige, plastische tapijten die aan tempels en heiligdommen worden gehangen. Als de rijstzaadjes opkomen, verschijnen er vruchtbaarheidsfiguurtjes van palmblad (‘cili’) in de vorm van een zandloper, met ronde borsten en lange dunne armen.

Wayang
De Balinese vorm van ‘wayang kulit’ heeft hetzelfde repertoire als op Java, maar de poppen zijn kleiner en realistischer dan de Javaanse. Op Bali hebben ‘wayang’ vertoningen plaats in de openlucht en worden de mannen niet gescheiden van de vrouwen, zoals op Java. Ook zijn de Balinese theatervormen niet zo sterk beïnvloed door het tweedimensionale schaduwspel. Op Java is de ‘wayang topeng’ bijna uitgestorven, maar op Bali is ze nog zeer levend. In deze pantomimes, die expressiever zijn en karakteristieker dan de ‘topeng’-maskers van Java, worden de daden uitgebeeld van koningen en krijgers uit de Balinese geschiedenis, waarbij de helden meestal worden vertolkt door twee of drie spelers.

Houtsnijwerk
De Balinezen gebruiken natuurlijke materialen; hout, steen, been, hoorn en zelfs dood hout of verwrongen boomwortels. Tegenwoordig worden er voornamelijk souvenirs gemaakt en zijn succesvolle creaties massaproducten. Het Balinese houtsnijwerk is grotesk, bijna psychotisch en geeft een levendige uitdrukking van de angst voor het bovennatuurlijke. De gezichten zijn verwrongen om het bijzondere karakter van het onderwerp te benadrukken – de bolle ogen van een kikker, de soepele bewegingen van een vis, de sierlijke poten van het hert. De figuurtjes zijn uniek, met nauwkeurig gedetailleerde gezichten. Mythologische afbeeldingen als Hanuman in gevecht met de slang of een dansende Sita komen vaak voor. Er wordt veel geschaakt op Bali. Schaakstukken van besneden teakhout of been zijn heel opvallend. Vishnu op de schouders van Garuda is de koning.

Beeldhouwwerk
Het beeldhouwwerk is verwant aan het houtsnijwerk, omdat er zachte, vulkanische steen (‘paras’) wordt gebruikt, is de techniek grotendeels hetzelfde. De Balinezen zien het onderhoud van hun stenen tempels als een morele verplichting, zodat beeldhouwen ook een religieuze taak is. Het beeldhouwwerk is niet zo erg beïnvloed door het toerisme, omdat de verzendkosten van de meeste stukken te hoog zijn. De kunst van het beeldhouwen komt het best tot uitdrukking in de bijzondere ‘gespleten poorten’ (‘candi bentar’) en de absurde en dreigende mythologische beelden. Kapal en Batubulan zijn de centra voor de beeldhouwkunst, aan beide zijden van de weg verdringen zich de winkeltjes waarin beelden worden verkocht van de personages uit de Balinese geschriften.

Schilderkunst
De schilderkunst is op Java praktisch uitgestorven toen het Majapahit-rijk in de 16e eeuw naar Bali overging. Op Bali is ze de laatste 400 jaar voortdurend beoefend. Eeuwenlang was Java het moederland en dit vindt zijn weerslag in de onderwerpen van de traditionele Balinese kunst. Tegenwoordig werken de meeste Balinese artiesten alleen voor het geld met de redenatie dat het zinloos is de moeite te nemen een goed schilderij te maken wanneer een slecht schilderij net zo snel wordt verkocht voor net zoveel geld!

Traditionele schilderkunst
Religieuze, verhalende schilderwerken vinden hun oorsprong in de 14e en 15e eeuw, toen de hindoe bevolking van oost Java naar Bali trok. Ze worden gekarakteriseerd door een vlakke, stijve, formele stijl, geschilderd volgens een strikte, traditionele formule, waarin elke emotie ontbreekt. De hindoegoden, demonen en prinsessen staan rij aan rij in volle staatsie afgebeeld. Elke god is herkenbaar aan details in de kleding. Schaduwwerking ten behoeve van het perspectief wordt volgens de traditie niet gebruikt. De schilderwerken zijn net stripverhalen, want de personages en gebeurtenissen worden in afzonderlijke kaders afgebeeld en het geheel vindt plaats in een goddelijke wereld. Patronen van wolken en wind en vlam- en bergmotieven scheiden de kaders van elkaar. De schilderijen zijn soms wel 15 meter lang en vier meter breed. Ze worden aan de dakbalken van de tempel gehangen als feestelijke versiering. Moderne versies van deze schilderingen op doek worden nog steeds gemaakt, vooral in het dorp Kamasan. Hoewel ze zijn beïnvloed door de Europese kunst, hebben de Balinese schilders nog veel artistieke tradities van hun culturele Javaanse voorouders behouden. De Balinese schilderkunst is nog steeds sterk begrensd als het gaat om onderwerp, behandeling, symboliek en vooral kleurgebruik: blauw, geel, zwart en wit en Chinees rood, met doffe bruin- en groentinten, gemengd met de pigmenten.

Moderne schilderkunst
De periode tussen de twee wereldoorlogen heeft grote veranderingen met zich meegebracht. De Balinese kunstenaars hielden zich niet langer aan de regels en herschiepen hun eigen visuele ervaring. In de jaren tussen 1933 en 1939 lieten de Europese kunstenaars Walter Spies en Rudolph Bonnet en anderen de Balinezen zien dat schilders zich niet hoeven houden aan vaste formules of een enkele stilistische conventie en moedigden hen aan zich individueel te ontwikkelen. Deze Europeanen hebben hun het concept van de derde dimensie bijgebracht. Je kunt de stijl van Rousseau, die grote invloed had op Spies, herkennen in de Balinese schilderkust. De vraag van toeristen naar schilderijen die ‘geschikt zijn om in te lijsten’ heeft de techniek en inhoud van hun schilderstijl nogmaals veranderd. Balinese schilders zitten vol verhalen en mythes uit hun kindertijd en het ontbreekt hen nooit aan een thema. In veel van hun schilderijen worden tientallen verhalen tegelijk uitgebeeld. In hun oerwoud vind je een uitvoerige, overdadige versiering van bladeren, bloemen en dieren, waarbij elk blad zorgvuldig is uitgetekend. In de kleinste hoekjes van de schilderijen staan gras, blaadjes en insecten.

Muziek en dans
Muziek is enorm geliefd bij de mensen. Op alle uren van de dag en nacht is het geluid van echoënde xylofoons, trommels en kletterende cimbalen te horen. De baders zingen in de rivier, in de velden kinken ratelaars, de weefgetouwen tinkelen van de belletjes, de vliegers vibreren in de wind, jongetjes imiteren het geluid van een gong op straat en duiven vliegen langs met fluitjes aan hun poten. De beste ‘gamelan’ wordt gemaakt op Bali en kost wel 60 miljoen Rupiah (± ƒ 15.000,-) en telt wel 20 tot 25 instrumenten. Elk dorp heeft een eigen orkest, dat Zee van Honing of Bijtende Krokodillen heet. Alle musici zijn onbetaalde amateurs. Iedereen kan spelen – een musicus zou bij een uitvoering zijn ‘gendang; aan een toeschouwer kunnen geven. De Balinese ‘gamelan’ wordt heftiger en gepassioneerder bespeeld dan de trager, weemoediger Javaanse variëteit. De Balinezen houden van heel luide muziek vol spanning, met scherpe overgangen in tempo en volume. Gelijksoortige instrumenten worden elk ietsjes anders gestemd, zodat het geluid ongrijpbaarder wordt. Het is de volmaakte muziek voor betoveringen en animistische rites. Op de achtergrond spelen oude mannen op de fluit, honden lopen over de dansvloer, baby’s krijgen de borst, kinderen spelen – de musici trekken zich er niets van aan. Een uniek Balinees instrument is de ‘rejog’, twee diepe gongen die verticaal aan de uiteinden van een stok hangen.

Dans
De Balinese dans is zeer indrukwekkend. Met meer dan 1.000 dansgroepen staat de danskunst midden in het Balinese leven. Op Java is het dansen voorbehouden aan het hof, maar op Bali wordt het meer beoefend in de dorpen. De Balinezen vinden Javaanse dansen saai, terwijl de Javanen de Balinese dansen luidruchtig en vulgair vinden. Op Bali danst men voor het genot van de goden, prestige en het genoegen van vrienden en familie. In 1992 heeft de gouverneur van Bali besloten dat 11 heilige dansen niet in hotels mogen worden uitgevoerd.

Choreografie
Een Balinese dans is meestal gemakkelijk te begrijpen; je moet alleen de draad van het verhaal kennen. In de klassieke Balinese dansen zijn alle bewegingen en ledematen belangrijk – gewrichten, gezicht, vingers, polsen, nek, ogen, heupen, knieën, voeten en enkels. Er zijn meer dan 200 verschillende soorten dansen, vele religieus van aard, die elk niet alleen uit dans bestaan, maar ook uit toneel, muziek en voordracht. De Balinese dansstijlen zijn afgeleid van het dagelijkse werk; de dansers zijn zeer sierlijk en dragen prachtige kleren bij een uitvoering. Mannen hebben uiterst beweeglijke tenen om in de kokospalmen te kunnen klimmen en gebruiken die ook in sommige danspassen. Het dragen van een ‘pikulan’ is een prima training voor mannelijke dansers, omdat het werk hun ritme en een goede ademtechniek bijbrengt, zodat ze moeiteloos op en neer kunnen gaan in de dans. Vrouwen dragen van alles op het hoofd en gebruiken hun ogen om elkaar te groeten en te kijken waar ze lopen. Hun vingers zijn vanaf hun vroegste jeugd geoefend in het maken van kleine dingetjes en bewegen soepel om gevoelens uit te drukken. Bijna iedereen kraakt zijn vingergewrichten voor een buitengewone soepelheid. Een Balinese ‘legong’ danseres kan worden beoordeeld aan de soepelheid van haar pink. De vrouwendans is zuiver formeel. Alleen bij de mannen is het genoegen af te lezen. De Balinese dans is niet naar boven gericht, weg van de aarde, maar beweegt over de grond in langzame zigzaggende kringen. De houding van de vrouwen wordt gekarakteriseerd door naar achteren geduwde heupen en opzij gehouden schouders. Omdat de borsten en de heupen uitsteken, zijn veel houdingen ronduit erotisch. Zowel bij de mannen als de vrouwen vormen de ledematen hoeken. Ellebogen wijzen naar boven en het hoofd zakt omlaag, zodat de nek bijna niet meer te zien is. Plotselinge veranderingen van richting en precieze, schokkerige stappen zijn markante eigenschappen van de Balinese choreografie. Er wordt gedanst met een betoverende intensiteit, behalve door de komische of groteske personages, die geschokte verbazing of angst tonen. Op het toneel ziet men tijdens de dans geweld dat in het echte leven niet is toegestaan. Om te dansen moet je vuur hebben en dat moet uit de ogen komen. Het volkomen gebrek aan uitdrukking van de rest van het gezicht doet denken aan een toestand van trance.

Hanengevechten
Deze gevechten zijn verboden door de islamitische Indonesiërs, maar vinden nog steeds in bijna ieder dorp stiekem of openlijk plaats. Ze vallen soms samen met ‘upacara’ tempelceremonies en feesten. De vechthanen worden omringd met de grootste zorg en elke dag gemasseerd, gebaad en getraind. Hun veren, kammen en lellen worden getrimd, zodat ze geen houvast bieden aan de tegenstander. De eigenaar concentreert zich op het dieet van de vogel en probeert er een gespierde, onvermoeibare vechter van te maken. Het dier is zijn huisdier, mascotte, kind, droom en inkomen en de eigenaar draagt hem altijd rond. De klokvormige rieten kooien worden bij de weg gezet, zodat de hanen zich kunnen amuseren met de voorbijgangers! Er worden twee strijdlustige hanen uitgekozen en weddenschappen afgesloten. Intussen wordt er een zeer scherp mesje aan een poot bevestigd door een specialist, die zijn mesjes als een schat in een speciaal doosje bewaart. Dan wordt het gevecht gezegend. Kwade geesten krijgen gaven die hen hopelijk tevreden zullen stellen en zullen zorgen voor een goede oogst. De hanen worden door hun eigenaars getergd – er wordt aan hun staart getrokken, hun veren worden in de war gemaakt, er wordt palmwijn in hun keel gespuwd, allemaal om de strijdgeest op te wekken. De hanen worden nog wat opgehitst en dan losgelaten. Het is bijna uitsluitend een mannenaangelegenheid en de menigte versmelt tot een gebarende, schreeuwende, hysterische eenheid. Het gevecht duurt vaak maar 15 – 20 seconden. De hanen leggen een verrassende felheid aan de dag, zelfs als ze gewond zijn. Als beide dieren weigeren verder te vechten, worden ze onder een omgekeerde mand gezet, waar een van de vogels bijna altijd gedood wordt. Een zwaar gewonde haan kan vaak weer tot leven worden gewekt door kunstmatige ademhaling of speciale massage. Daarna vecht hij weer, en wint.. De hanen worden weer ontdaan van de mesjes. De dode haan wordt ter plekke geplukt. De verliezende mannen vertellen aan iedereen hoeveel ze verloren hebben. De winnaars hoor je niet!

Stierenrennen
Bij Negara in het westen van Bali worden spannende regionale races met waterbuffels (‘mekepung’) gehouden op de zondag oor de Indonesische onafhankelijkheidsdag. Alleen de mooiste en meest gestroomlijnde stieren van het eiland – die niet worden gebruikt voor het ploegen of als lastdier – mogen meedoen. Na een uitgebreide training worden de beesten uitgedost met zijden banieren, met beschilderd horens en grote, houten klokken. Elk team wordt beoordeeld op snelheid, kracht, kleur en stijl. Als Romeinse strijdwagens komen ze op de finish afgedenderd, met veel zweepslagen en geschreeuw en rondvliegende modder. De jockeys draaien aan de staart van de stieren om snelheid te krijgen. Het is dolle pret als een buffel, die zich niet veel gezeggen laat, ineens rechtsomkeer maakt! Er wordt veel gegokt. Het is een feest ter ere van de oogstgod. De winnende stieren worden gebruikt om mee te fokken en brengen bij verkoop wel tweemaal de marktwaarde op.

3. Speech van Charles Jacobs bij de opening van de school in Buhutyang

Speech van Charles Jacobs

 

 

4. Interview met Charles door Jose


 

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.help-desa-les-bali.nl/bijlagen/